Schakel JavaScript in om gebruik te kunnen maken van deze website.
Fiduciair eigendom
Noorland Juristen Menu

Fiduciair eigendom

Fiduciair eigendom of eigendom tot zekerheid was in Nederland in de periode 1929–1992 een derde zakelijk zekerheidsrecht naast pand en hypotheek. In het Brouwerij-arrest van 1929 werd fiduciaire eigendomsoverdracht door de Hoge Raad geaccepteerd. Nadien is het in een reeks van arresten geïntegreerd in het systeem van zakelijke zekerheidsrechten.

Het komt er hier op neer dat men iets in eigendom overdraagt ter zekerheid van bijvoorbeeld een lening. De zaak blijft eigendom van de financierder zolang de lening nog niet is terugbetaald. Wanneer dit wel het geval is, heeft de financierder de contractuele plicht de eigendom terug over te dragen. Tijdens de looptijd moet de financierder de zaak in eigendom houden, en meestal mag de lener deze gewoon blijven gebruiken. Op het moment dat de lener in gebreke is met de betaling, kan de financierder de eigendom te gelde maken ter dekking van de uitstaande verplichtingen. Bovenstaande doet erg denken aan een (stil) pandrecht, met dien verstande dat een eigendomsrecht veelomvattender is dan een pandrecht.

Het stille pandrecht bestond destijds nog niet: een pand kon slechts gevestigd worden door het in de macht van de pandhouder te brengen. Dit was vaak natuurlijk bezwaarlijk omdat het meestal om voorraad, bedrijfsinventaris of machines ging die de pandgever wilde blijven gebruiken. Aan de andere kant wilden geldverschaffers slechts zekerheid en zaten er niet op te wachten allerlei zaken onder zich te moeten houden. Er was dus behoefte aan een zekerheidsrecht waarbij de zaak niet in de macht van de pandhouder hoefde te worden gebracht, maar zo'n recht bestond niet. Fiduciair eigendom, de eigendomsoverdracht tot zekerheid, voorzag in deze behoefte.

Hier bestonden bezwaren tegen, omdat de financierder een te sterke positie zou verkrijgen. Een eigendom zou te veelomvattend zijn voor het zekerheidskarakter en bovendien gevoelig zijn voor misbruik. De financier was toch al vaak de sterkere contractspartij en wanneer er in het opstellen van de contracten niet goed werd opgelet door de lener, kon hij zijn eigendom (voorgoed) kwijtraken of permanent afhankelijk raken van de financierder. Daarbij bestond slechts een contractuele terugleververplichting: mocht de financierder niet willen terugleveren of failliet gaan dan zou de lener eveneens de zaak kwijt zijn of een dure juridische procedure moeten starten.


Fiduciaverbod

+
Sinds de invoering van het nieuw Burgerlijk Wetboek in 1992 geldt een fiduciaverbod (art. 3.84 lid 3 BW). Stil pand is ervoor in de plaats gekomen. Bestaand fiduciair eigendom werd van rechtswege omgezet in stil pandrecht (art. 86 jo 68a Invoeringswet NBW). Aangezien zekerheidsrechten een gesloten systeem vormen kan men niet contractueel zelf een alternatief in elkaar knutselen.

In het arrest Keereweer/Sogelease werd beslist dat een sale and leaseback-overeenkomst niet in strijd is met het fiduciaverbod. Hoewel er geen rechtspraak over is, wordt ook de overdracht aan een SPV in een securitisatie niet gezien als een fiduciaire overdracht, omdat er sprake is van een daadwerkelijke koopovereenkomst tussen de Originator en het SPV.

Buiten Nederland is de fiduciaire overdracht in veel landen nog wel geaccepteerd. In het Duitse recht komt dit nog zeer veel voor.



Volg ons op Facebook!
► Facebookpagina